IMPERFECTUM.doc

(137 KB) Pobierz

NIDERLANDZKI Kraków 

tłumaczenia, konwersacje i korepetycje

– wszystkie poziomy zaawansowania, materiały do nauki i słuchania, dojazd do ucznia

INFORMACJE: email: talen@onet.eu, tel. 793 47 27 91, www.chomikuj.pl/vlinger27,

http://niderlandzki-krakow.blogspot.com

 

 

De onvoltooid verleden tijd – Imperfectum

 

In het Nederlands gebruiken we de onvoltooid verleden tijd als we het hebben over een gebeurtenis uit het verleden. Het verschil tussen de onvoltooid verleden tijd en de voltooid tegenwoordige tijd is vaak onduidelijk, zelfs voor Nederlandstaligen. Vaak kun je ze allebei gebruiken.

 

ik               [stam] + te / de

we               [stam] + ten / den

je               [stam] + te / de

jullie               [stam] + ten / den

hij               [stam] + te / de

ze               [stam] + ten / den

 

Wanneer gebruik je de onvoltooid verleden tijd? Hiervoor zijn er een paar richtlijnen. We gebruiken de onvoltooid verleden tijd:

1.      voor gebeurtenissen uit het verleden die niets met het heden te maken hebben.

2.      om te beschrijven wat er allemaal gebeurde tijdens een bepaalde gebeurtenis uit het verleden.

3.      om een gebeurtenis of actie uit het verleden te introduceren met het woord 'toen'.

 

1. Gebeurtenissen uit het verleden die niets met het heden te maken hebben

 

Als de gebeurtenis of actie nog steeds relevant is voor het heden, dan gebruiken we meestal de voltooid tegenwoordige tijd. De relevantie voor het heden is natuurlijk zeer subjectief. Onthoud maar dat we de voltooid tegenwoordige tijd veel vaker gebruiken dan de onvoltooid verleden tijd.

Karel de Grote regeerde van 800 tot 814.

De Industriële Revolutie begon in Engeland.

 

2. Beschrijven wat er allemaal gebeurde tijdens een bepaalde gebeurtenis uit het verleden.

 

Als we spreken over een (centrale) gebeurtenis uit het verleden, dan gebruiken we de onvoltooid verleden tijd voor alle 'perifere' gebeurtenissen om de centrale gebeurtenis heen. Dat was zo'n natte picknick vorig jaar, weet je nog? Het regende pijpenstelen!

 

Op zijn verjaardag feliciteerden we hem, zongen we een verjaardagsliedje en gaven we hem een cadeau.

Tijdens de kabinetscrisis was de premier op vakantie.

 

Om de gebeurtenis in het verleden te plaatsen, gebruiken we meestal de voltooid tegenwoordige tijd (blauw in de voorbeelden hieronder). Alle gebeurtenissen en acties die erop volgen, beschrijven we met de onvoltooid verleden tijd.

 

We zijn gisteren naar de bioscoop geweest en raad eens wie we daar tegenkwamen?

We zijn dit jaar naar Slovenië op vakantie geweest. We verbleven eerst in een hotel in Ljubljana en daarna logeerden we een week bij vrienden in de buurt van het Bledmeer.

Er is veel commotie rond geweest. Ze zeiden dat hij het geld had verduisterd.

 

Het laatste voorbeeld geeft je alvast een voorproefje op de voltooid verleden tijd ('had verduisterd').

 

3. Een gebeurtenis of actie uit het verleden introduceren met het woord 'toen'

 

Als we over het verleden praten door te beginnen met het woordje 'toen', gebruiken we meestal de onvoltooid verleden tijd. Als we de voltooide tijd gebruiken, dan moet het de voltooid verleden tijd zijn.

 

Toen ik wakker werd, scheen de zon volop.

Toen we terugkwamen van vakantie, schrokken we ons kapot: er liepen allemaal kakkerlakken in de badkamer!

Toen je drie jaar werd , kreeg je een knuffelbeer met een grote rode hoed.

 

Oefeningen:

http://www.passito.be/index_bestanden/Page393.htm

 

Oefening

 

1.      We (meenemen) twee komers, toen we met vakantie (gaan).

2.      Op het vliegveld (huren) we een auto en we (rijden) naar de stad.

3.      Het vliegtuig (hebben) vertraging, het (aankomen) een uur later.

4.      We (sturen) ansichtkaarten aan alle bekenden.

5.      We (zich vervelen) geen ogenblik.

6.      Vroeger (fietsen) we altijd naar school. Alleen als het (regenen), (gaan) we met de bus.

7.      Hij (lezen) een boek, terwijl wij naar een videofilm (kijken).

8.      Vondel (leven) in de 17de eeuw; hij (schrijven) vele drama’s.

9.      Eva (openmaken) het pakje en (zich verbazen) over de inhoud.

10.  We (vergeten) te zeggen dat er gaten in het tapijt (zitten).

11.  Hij (studeren) in Amsterdam.

12.  Zij (uitnodigen) alle vrienden.

13.  (Wonen) jullie in Rotterdam of in Den Haag?

14.  Ik (gaan) naar het concert?

15.  De storm  (verwoesten) de stad.

16.  Lies  (schrikken) hevig.

17.  Ze  (bloeden) dan ook erg.

18.  We  (vrezen) het ergste.

19.  De jongens  (stichten) een club.

20.  Wie  (ontvreemden) mijn fiets?

21.  Hij  (verbeelden) zich veel.

22.  Jochen  (poetsen) zijn schoenen.

23.  Moeder  (verbreden) het tuinpad.

24.  Ze  (schelden) mij uit.

25.  We  (besteden) er veel tijd aan.

26.  Bedroefd  (meedelen) de man het nieuws mee.

27.  De kranten  (verschijnen) niet.

28.  De kat  (verorberen) het vlees.

29.  De bombardementen  (verwoesten) de stad.

30.  Het bedrijf  (lozen) afval in de rivier.

31.  Verschrikt  (terugdeinzen) we .

32.  Hij  (veinzen) ons niet te zien.

33.  De kok  (bereiden) heerlijke gerechten.

34.  Op het nippertje  (ontsnappen) hij aan de aanslag.

35.  Wij (weten) niet precies hoe laat de film begint.

36.  De les (beginnen) om 6 uur.

37.  Hij (lezen) een tijdschrift.

38.  Deze vrouw (betalen) contant.

39.  Mijn zusters (blijven) thuis.

40.  Hoe laat (opstaan) je?

41.  Deze firma  (bieden) zijn klanten vele interessante promoties aan!

42.  (aanvaarden) de directie zo'n brutaliteit? Neen toch!

43.  Ik  (vervelen) me al de hele dag.

44.  (kleden) je je nog om vooraleer we naar huis gaan?

45.  Dat  (verdienen) een bloemetje, vind (vinden) ik!

46.  Door veel te lezen  (verbreden) je je kijk op de wereld.

47.  (verzenden) ik deze brief nu nog?

48.  Hij  (telen) marihuanaplantjes en  (worden) nog eens betrapt!

49.  (dragen) jij dit project een warm hart toe?

50.  Weet jij hoeveel het eetfestijn onze school  (opleveren)?

51.  Het  (zijn) een spannende veldloopwedstrijd gisteren.

52.  Lippens, de gedoodverfde favoriet,  (beginnen) sterk, maar zijn voorsprong  (slinken) al snel.

53.  Tot ieders verbazing schoot (schieten) de nieuwkomer Sterckx iedereen zomaar voorbij.

54.  Zand  (stuiven) op vanonder zijn spikes toen hij de laatste bocht nam en door het lint aan de finish  (duiken).

55.  De sportjournalisten  (schrijven) uiteraard vol lof over Sterckx.

56.  Hoewel een aantal onder hen toch onraad  (ruiken) en een verhaal  (ontwerpen) over verboden middelen

57.  Het publiek  (verslinden) het dopingverhaal als geeneen, maar Sterckx  (zweren) formeel dat hier niks van aan was.

58.  Lippens van zijn kant  (komen) ontgoocheld over de eindmeet.

59.  Hij  (weten) te vertellen dat zijn voet tijdens het lopen steeds meer  (opzwellen) en hij zo heel wat kracht  (verliezen).

60.  Zo  (wegen) hij duidelijk veel te licht. Volgens Lippens is Stercks de terechte winnaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Werkwoorden:

 

lp

intitief

de betekenis

imperfectum

participium

1.       

aankomen

przybyć

kwam aan

aangekomen z.

2.       

aanvaarden

rozpocząć

aanvaa...

Zgłoś jeśli naruszono regulamin